Cooperia oncophora
NVP Parasieten factsheets: Veterinair - Infecties met Rondwormen - Cooperia - Cooperia oncophora |
|
|
|
| Redactie | Fred Borgsteede |
| Laatste update | 09-12-2009 |
| Groepsnaam | |
| Officiƫle naam parasiet | Cooperia oncophora |
| Algemeen | |
| Parasitaire aandoening: Nederlandse naam | Cooperiose. Meestal komen infecties met verschillende wormsoorten voor. Wanneer de in de maag en in de darmen voorkomende wormen tezamen worden genomen, spreekt men van maagdarmstrongylose, gastrointestinale parasitose, maagdarmwormziekte, parasitaire gastroenteritis e.d. |
| Parasitaire aandoening: Engelse naam | Cooperiosis. When infections with several worm species occur in the gastrointestinal tract, the disease is named parasitic gastroenteritis |
| Indeling | Phylum: Nemathelminthes; Klasse: Nematoda; Orde Strongylida; Familie: Trichostrongylidae; Genus: Cooperia |
| Gastheren | Voornamelijk rund, maar kan ook in het schaap voorkomen. Zelden in geit en hertachtigen. |
| Geografische verspreiding | Wereldwijd. We nemen aan dat in Nederland alle runderen met weidegang een besmetting met Cooperia oncophora oplopen. Schapen die geweid worden op percelen waar ook rundvee (kalveren) lopen of recent hebben gelopen, kunnen zich ook infecteren met deze wormsoort. |
| Levenscyclus | Volwassen (mannelijke en vrouwelijke) wormen komen voor in de dunne darm. Mannelijke wormen meten 6-8 mm, vrouwtjes 6-10 mm. De meeste worden in de eerste 5 meter van de darm aangetroffen. Vrouwelijke wormen produceren eieren die met de feces het lichaam verlaten. In de feces ontwikkelt zich uit het ei een larve van het eerste stadium (L-1). De larve groeit, vervelt en wordt een larve van het tweede stadium (L-2). Ook deze larve groeit en wordt een derde stadium larve (L-3), maar deze larve vervelt niet en behoudt dus de huid (schede) van het tweede stadium. Deze larve wordt de infectieuze larve genoemd. Het niet vervellen heeft positieve en negatieve gevolgen. Positief: de larve is beter bestand tegen schadelijke invloeden van buitenaf, met name uitdroging. Negatief is dat de larve geen voedsel kan opnemen en zich moet redden met het in de darmcellen opgeslagen reservevoedsel. De snelheid van ontwikkeling is afhankelijk van externe factoren, met name temperatuur. In het laboratorium kan de ontwikkeling van ei tot infectieuze larve bij 27 graden Celsius binnen een week plaatsvinden. Bij hogere temperaturen gaat de ontwikkeling sneller, maar neemt de sterftekans toe. In de praktijk wordt meestal rekening gehouden met een ontwikkelingstijd van minimaal drie weken. Om zich vanuit de feces naar de vegetatie te verplaatsen zijn vochtige condities nodig. Onder droge omstandigheden kan geen migratie vanuit de feces plaatsvinden. Eenmaal op de vegetatie aangeland, dient de larve geduldig te wachten tot hij met het grazen wordt opgenomen. Eenmaal opgenomen in de gastheer, werpt de larve de schede van het tweede stadium af. Via pens en lebmaag komt de larve in de dunne darm, waar hij zich in ca. drie weken tot volwassen worm kan ontwikkelen. |
| Klinische aspecten (pathogenese) | De verschijnselen van een infectie met C. oncophora zijn meestal subklinisch. Deze wormsoort wordt algemeen beschouwd als mild pathogeen. Kalveren zijn ook in staat om vrij snel een goede immuniteit op te bouwen. Waneer kalveren in hun eerste weideseizoen een infectie met C. oncophora hebben doorgemaakt, treft men op latere leeftijd deze wormsoort zelden meer aan. Als er klinische verschijnselen zijn, zijn dat verschijnselen die algemeen gelden voor maagdarmworminfecties: gebrek aan eetlust, slechte groei of zelfs gewichtsvermindering, diarree, dor haarkleed. Bij ernstige infecties ziet men atrofie van de darmvilli en oedeem van de darmmucosa. |
| Diagnostiek | Fecesonderzoek is de meest gangbare methode voor het aantonen van maagdarmwormen. De eieren van C. oncophora hebben het 'strongylus-eitype' en zijn microscopisch niet goed te onderscheiden van eieren van verwante wormsoorten. Van alle maagdarmwormen bij het rund heeft C. oncophora de grootste eiproductie per vrouwelijke worm. Wanneer bij kalveren hoge EPG's (eieren per gram feces) worden aangetoond (>500) dan is de kans groot dat het merendeel van de eieren afkomstig is van C. oncophora. Om onderscheid te maken tusen de in de feces aanwezige eieren, is een larvenkweek nodig. De infectieuze larven van C. oncophora zijn dan microscopisch te onderscheiden van andere larven. |
| Bestrijding en preventie | Bestrijding kan plaatsvinden door het gebruik van anthelmintica. Alle geregistreerde middelen uit de groep van de enzimidazolen, levamisol en de macrocyclische lactonen hebben een uitstekende werkzaamheid, waarbij wel opgemerkt dient te worden dat C. oncophora voor de macrocyclische lactonen de 'dose-limiting' species is. Bestrijding en preventie dient echter niet alleen gebaseerd te zijn op toepassing van anthelmintica. Het feit dat de infectieuze larve omhuld is met de schede van het tweede stadium en dus geen voedsel kan opnemen, betekent dat na overwintering op de weide en het stijgen van de temperatuur in het voorjaar en de daarmee gepaard gaande toename van activiteit en dus verbruik van voedsel, de larve opgenomen dient te worden voordat zijn reservevoedsel op is. Wanneer veehouders in het voorjaar een perceel maaien voordat de kalveren in de wei gaan, snijdt het mes van verschillende kanten: met het maaien wordt 1. een deel van de overwinterde larvenpopulatie verwijderd (de verwijderde larven overleven het inkuilingsproces niet). 2. De nog aanwezige larven worden blootgesteld aan ongunstiger condities (grotere kans op uitdroging, directe zonneschijn met schadelijk UV) 3. Er dient hergroei van het gras plaats te vinden voordat kalveren de wei in kunnen, dus ... later tijdstip met kans op hogere temperaturen, meer reservevoedselgebruik etc.). Wanneer kalveren half juni naar buiten gaan op voorgmaaid land zal de in de wei opgenomen eerste infectie laag zijn. In Nederland volgt ca. 70% van de melkveehouders deze strategie. Nederland loopt hiermee voorop in de wereld, waarbij wel opgemerkt dient te worden dat ons klimaat bij uitstek geschikt is voor deze managementtoepassing. |
| Overige_informatie | Verwante soorten: In ons land kan bij het rund ook Cooperia punctata voorkomen. Vaak zien we deze soort pas bij oudere dieren (pinken, melkvee). De pathogene betekenis is meestal gering. Bij schapen is Cooperia curticei de belangrijkste soort. Ook van deze soort is de pathogene betekenis gering. Polymorfisme: Mannelijke wormen van C. oncophora kunnen polymorfie vertonen. Er zijn twee qua anatomie (met name de spicula) verschillende mannelijke wormen. Darom is in het verleden naast C. oncophora ook de soort C. surnabada (synoniem C. mcmasteri) beschreven. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat C. surnabada en C. oncophora polymorfen zijn van dezelfde soort. Polymorfisme is een verschijnsel dat wel vaker wordt gezien bij wormen uit de familie Trichostrongylidae. Resistentie In ons land komt, voorzover wij weten, resistentie van wormen bij het rund tegen anthelmintica niet voor. Buiten Nederland is resistentie van C. oncophora tegen met name macrocyclische lactonen beschreven. Vooral in Nieuw-Zeeland en Zuid-Amerika is deze resistentie wijdverbreid.In ons land is wel resistentie van C. curticei bij het schaap tegen benzimidazolen beschreven. Literatuur:
• Borgsteede FHM, 1978. Observations on the post-parturient rise of nematode egg-output in cattle. Vet. Parasitol. 4, 385-391. |


